Pol

Pol Dehulu

Fragment uit hoofdstuk II van Omerta, het nieuwe boek van priester-schrijver Pol Dehullu

 

‘‘Gezelle was een dociele priester. Hij gehoorzaamde gedwee aan de grillen van zijn oversten, zelfs wanneer ze hem onrecht aandeden. Van Haecke was minder volgzaam. Hij kon natuurlijk niet sollen met het gezag, dat zouden ze niet geduld hebben, maar hij vond wel telkens originele uitwegen. De zes jaar als leraar in Oostende zijn goed gedocumenteerd in het archief. Zijn confraters vonden zijn spitsvondigheden tenenkrommend, maar af en toe moesten ze wel toegeven dat hij het vernuftig aanpakte. Zo was Oostende stilaan bekend geworden als badstad en kuuroord. Uit heel Europa kwamen rijkelui naar de Belgische kust om in zee te baden en toen de krant La Feuille d’Ostende het zeebaden aanprees als remedie tegen lichamelijke kwalen en zenuwziekten, kroop Lodewijk in zijn pen en vroeg hij met zwierige letters toestemming aan het bisdom om zijn al dan niet vermeende huidziekte hiermee te behandelen. Hij ontving prompt een vernietigend antwoord: aandacht voor het lichaam leidde tot zedeloosheid en wanneer het lichaam ziek was, moest men vooral de ziel gezond houden!’

Wolf keek bedenkelijk. ‘Mocht ik die Lodewijk zijn, ik zou stiekem elders gaan baden.’

‘Daar zullen we in zijn brieven vast niks over vinden, maar het gewone volk zwom zonder complexen naakt in Raversijde en volgens andere bronnen gingen priesters vaak baden nabij Blankenberge, dat toen nog een veredeld vissersdorp was. Verboden vruchten zijn nu eenmaal de sappigste.’

‘Waar kwam Van Haecke terecht toen hij geen leerkracht meer was?’ vroeg Greet.

‘Hij was 35 toen hij in Brugge benoemd werd als kapelaan van de Heilig-Bloedkapel. Niet echt een topfunctie, want hij moest bijklussen om een min of meer volwaardig inkomen te hebben. Maar Lodewijk, of Louis zoals hij ook genoemd werd, liet zich niet ontmoedigen. Hij stond in Brugge algauw bekend als een boeiende verteller die ludiek uit de hoek durfde te komen. Van Haecke was erg geliefd in de volkse buurten, terwijl de burgerij hem graag aan tafel nodigde want hij bracht iedereen aan het lachen.’

‘En dan was er dat incident met die jonge vrouw,’ merkte Eva op.

‘Dat gebeurde in 1890, Van Haecke was toen al een zestiger,’ vervolgde Gilles. ‘Op een ochtend in september wordt een naakte vrouw aangetroffen op de vestingen nabij de Smedenpoort. Ze is verward en wordt overgebracht naar Sint-Juliaan, een psychiatrisch ziekenhuis in de Boeveriestraat, waar ze ongeveer een maand zal verblijven. De vrouw blijkt afkomstig te zijn uit Parijs en Caroline Courrière te heten, maar ze laat zich Berthe de Courrière noemen. Ze beweert dat ze gevlucht is uit het huis van Van Haecke in de Moerstraat, waar ze de nacht heeft doorgebracht.’

‘Een alleenstaande vrouw die logeert bij een priester, dat was in die tijd toch niet zo gebruikelijk?’ merkte Greet op.

‘Dat werd toen inderdaad als ongepast beschouwd, en dan is de vraag nog: waarom is ze gevlucht uit zijn huis?’

‘Werd Louis Van Haecke hierover ondervraagd?’ vroeg Wolf peinzend.

‘Daarover is niets bekend. De hele zaak is alvast met de grootste discretie behandeld. En waarschijnlijk was het bij een kleine vermelding in de krant gebleven. Maar mevrouw Courrière was wel een bizarre vrouw. Haar Parijse appartement was weelderig gedecoreerd met heidense symbolen, religieuze voorwerpen en erotische prenten, terwijl er permanent een zware geur van parfum en wierook hing. Ze frequenteerde artistieke kringen en was goed thuis in de literaire salons, waar de avant-garde samenkwam: naturalisten, symbolisten, decadentisten. Onder hen bekende namen als Emile Zola en Georges Rodenbach. Madame Courrière ligt begraven op Père-Lachaise en haar graf wordt nog altijd bezocht door satanisten.’

Fragment uit hoofdstuk II van Omerta, het nieuwe boek van priester-schrijver Pol Dehullu

‘‘Gezelle was een dociele priester. Hij gehoorzaamde gedwee aan de grillen van zijn oversten, zelfs wanneer ze hem onrecht aandeden. Van Haecke was minder volgzaam. Hij kon natuurlijk niet sollen met het gezag, dat zouden ze niet geduld hebben, maar hij vond wel telkens originele uitwegen. De zes jaar als leraar in Oostende zijn goed gedocumenteerd in het archief. Zijn confraters vonden zijn spitsvondigheden tenenkrommend, maar af en toe moesten ze wel toegeven dat hij het vernuftig aanpakte. Zo was Oostende stilaan bekend geworden als badstad en kuuroord. Uit heel Europa kwamen rijkelui naar de Belgische kust om in zee te baden en toen de krant La Feuille d’Ostende het zeebaden aanprees als remedie tegen lichamelijke kwalen en zenuwziekten, kroop Lodewijk in zijn pen en vroeg hij met zwierige letters toestemming aan het bisdom om zijn al dan niet vermeende huidziekte hiermee te behandelen. Hij ontving prompt een vernietigend antwoord: aandacht voor het lichaam leidde tot zedeloosheid en wanneer het lichaam ziek was, moest men vooral de ziel gezond houden!’

Wolf keek bedenkelijk. ‘Mocht ik die Lodewijk zijn, ik zou stiekem elders gaan baden.’

‘Daar zullen we in zijn brieven vast niks over vinden, maar het gewone volk zwom zonder complexen naakt in Raversijde en volgens andere bronnen gingen priesters vaak baden nabij Blankenberge, dat toen nog een veredeld vissersdorp was. Verboden vruchten zijn nu eenmaal de sappigste.’

‘Waar kwam Van Haecke terecht toen hij geen leerkracht meer was?’ vroeg Greet.

‘Hij was 35 toen hij in Brugge benoemd werd als kapelaan van de Heilig-Bloedkapel. Niet echt een topfunctie, want hij moest bijklussen om een min of meer volwaardig inkomen te hebben. Maar Lodewijk, of Louis zoals hij ook genoemd werd, liet zich niet ontmoedigen. Hij stond in Brugge algauw bekend als een boeiende verteller die ludiek uit de hoek durfde te komen. Van Haecke was erg geliefd in de volkse buurten, terwijl de burgerij hem graag aan tafel nodigde want hij bracht iedereen aan het lachen.’

 

‘En dan was er dat incident met die jonge vrouw,’ merkte Eva op.

‘Dat gebeurde in 1890, Van Haecke was toen al een zestiger,’ vervolgde Gilles. ‘Op een ochtend in september wordt een naakte vrouw aangetroffen op de vestingen nabij de Smedenpoort. Ze is verward en wordt overgebracht naar Sint-Juliaan, een psychiatrisch ziekenhuis in de Boeveriestraat, waar ze ongeveer een maand zal verblijven. De vrouw blijkt afkomstig te zijn uit Parijs en Caroline Courrière te heten, maar ze laat zich Berthe de Courrière noemen. Ze beweert dat ze gevlucht is uit het huis van Van Haecke in de Moerstraat, waar ze de nacht heeft doorgebracht.’

‘Een alleenstaande vrouw die logeert bij een priester, dat was in die tijd toch niet zo gebruikelijk?’ merkte Greet op.

‘Dat werd toen inderdaad als ongepast beschouwd, en dan is de vraag nog: waarom is ze gevlucht uit zijn huis?’

‘Werd Louis Van Haecke hierover ondervraagd?’ vroeg Wolf peinzend.

‘Daarover is niets bekend. De hele zaak is alvast met de grootste discretie behandeld. En waarschijnlijk was het bij een kleine vermelding in de krant gebleven. Maar mevrouw Courrière was wel een bizarre vrouw. Haar Parijse appartement was weelderig gedecoreerd met heidense symbolen, religieuze voorwerpen en erotische prenten, terwijl er permanent een zware geur van parfum en wierook hing. Ze frequenteerde artistieke kringen en was goed thuis in de literaire salons, waar de avant-garde samenkwam: naturalisten, symbolisten, decadentisten. Onder hen bekende namen als Emile Zola en Georges Rodenbach. Madame Courrière ligt begraven op Père-Lachaise en haar graf wordt nog altijd bezocht door satanisten.’